Echtgenoot veroordeeld mee te werken aan inschrijving echtscheidingsbeschikking

Soms kom je in de praktijk zaken tegen die er emotioneel inhakken en waarin je van de rechter vraagt om een duidelijke rechtsregel buiten werking te stellen omdat een ander belang zwaarder heeft te wegen en dat belang het opzij zetten van de rechtsregel rechtvaardigt.

De voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland had in september van het vorig jaar over de volgende vordering te beslissen.

Op vordering van de vrouw heeft de rechtbank in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken.

Een echtscheiding is pas definitief nadat de uitspraak waarin de echtscheiding is uitgesproken is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Om een echtscheidingsbeschikking in te kunnen schrijven moet de echtscheidingsuitspraak definitief zijn, dat wil zeggen dat er tegen die uitspraak geen hoger beroep of ander rechtsmiddel meer open staat. Een uitspraak wordt definitief nadat de beroepstermijn van drie maanden is verstreken of nadat beide partijen middels een akte van berusting nadrukkelijk hebben verklaard in de uitgesproken echtscheiding te zullen berusten. Door het tekenen van een akte van berusting geef je je recht op hoger beroep prijs.

De man weigerde na de echtscheiding de akte van berusting te tekenen waardoor het huwelijk in stand blijft. De man kondigde aan tegen de uitgesproken echtscheiding in hoger beroep te zullen gaan, wettelijk heeft de man drie maanden de tijd om dat hoger beroep in te stellen.

Wat deze zaak emotioneel zo zwaar maakt is het feit dat de vrouw terminaal ziek is en gescheiden wilde zijn voordat zij zou komen te overlijden.

Bij kortgedingvonnis eiste de vrouw dat de man verplicht zou worden een akte van berusting te ondertekenen zodat de echtscheidingsuitspraak zou kunnen worden ingeschreven.

Op het moment dat dat kortgeding diende was de beroepstermijn bij lange na nog niet verstreken.

Bij vonnis van 14 september 2023 krijgt de man van de voorzieningenrechter tot uiterlijk 18 september de tijd om hoger beroep in te stellen en bepaalt de voorzieningenrechter dat als hij dat niet doet hij de akte van berusting dient te ondertekenen en als hij dat ook niet doet het kortgedingvonnis in de plaats zal treden van de handtekening van de man.

De kortgedingrechter verkort in het vonnis van 14 september de beroepstermijn van drie maanden tot uiterlijk 18 september 2022, een verkorting met meer dan twee maanden.

Het belang van de vrouw om op korte termijn de echtscheiding ingeschreven te krijgen weegt in de overweging van de voorzieningenrechter zwaarder dan het belang van de man om de hoger beroepstermijn af te wachten.

Nadat de man op 18 september 2023 alsnog hoger beroep heeft aangetekend tegen de uitgesproken echtscheiding bevestigt het gerechtshof Arnhem-Leeuwaarden binnen een aantal dagen de beschikking van de rechtbank waarin de echtscheiding is uitgesproken. De man had in zijn beroepschrift geen steekhoudende argumenten aangevoerd waarom de rechtbank de echtscheiding niet had kunnen uitspreken, reden voor het hof om direct het hoger beroep van de man af te wijzen. Na de uitspraak van het hof weigert de man opnieuw de akte van berusting te ondertekenen. De man heeft in principe drie maanden de tijd om tegen de uitspraak van het hof in cassatie te komen bij de Hoge Raad in Den Haag. Het is niet duidelijk of de man van plan is om cassatie aan te tekenen, het heeft er alle schijn van dat de man alleen maar tijd zit te rekken.

In een nieuw kortgeding vordert de vrouw andermaal dat de man veroordeeld wordt om binnen een uur na het kortgedingvonnis een akte van berusting te ondertekenen en dat bij de weigering daarvan het kortgedingvonnis in de plaats zal treden van de handtekening van de man zodat op zeer korte termijn de echtscheiding alsnog kan worden ingeschreven.

Het verweer van de man dat hij tegen de beschikking van het hof nog in cassatie kan en dat hem die mogelijkheid niet mag worden onthouden wordt door de voorzieningenrechter gepasseerd met de motivering dat het eventuele cassatieberoep juridisch kansloos zal zijn omdat vrijwel zeker de Hoge Raad de beschikking van het hof in stand zal houden. Het belang van de vrouw, vanwege haar terminale ziekte, om op zeer korte termijn een ingeschreven echtscheidingsbeschikking te hebben weegt zwaarder dan het belang van de man om een kansloze beslissing in cassatie af te wachten. Tijdens het tweede kortgeding kwam onder andere vast te staan dat de man een negatief cassatieadvies had gekregen hetgeen voor de voorzieningenrechter des te meer aanleiding was om te komen tot het standpunt dat als een cassatieberoep zou worden ingesteld dat niet succesvol zou zijn.

Een, ondanks de trieste omstandigheden, mooie uitspraak van een moedige voorzieningenrechter die aan een emotioneel belang een zwaarder gewicht dicht dan het respecteren van rechten in een kansloze zaak.

Door: Advocatenkantoor Geerts

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *