Veel ouders blijven hun studerende kinderen nadat die 21-jaar zijn geworden financieel ondersteunen.
Dat was ook het geval in de zaak waarin de rechtbank Gelderland half september van dit jaar uitspraak deed.
Partijen waren gelukkig getrouwd en betaalde maandelijks € 660,00 aan hun dochter, ook toen die 21-jaar werd.
In de echtscheidingsprocedure die door de vrouw werd gestart stelde de man zich op standpunt dat voor de berekening van de door de vrouw geclaimde partneralimentatie rekening moest worden gehouden met de bijdrage aan de studerende dochter omdat zij dat als ouders nu eenmaal met de dochter hadden afgesproken.
De wet bepaalt dat als iemand aan meerdere personen een bijdrage aan kosten voor levensonderhoud verschuldigd is kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar voorrang hebben boven alle onderhoudsgerechtigde, waaronder begrepen de ex-partner.
Kinderen van 21 jaar of ouder kunnen alleen aanspraak maken op financiële ondersteuning als zij behoeftig zijn.
In de echtscheidingsprocedure betoogde de man dat partijen met de dochter een overeenkomst hadden gesloten die inhield dat zij maandelijks € 660,00 zou ontvangen en dat die overeenkomst, ondanks de gestarte echtscheidingsprocedure, nagekomen moest worden.
De rechtbank kwalificeerde de echtscheiding als een wijziging van omstandigheden op grond waarvan de met de dochter gemaakte afspraak opnieuw beoordeeld moest worden en de alimentatiemogelijkheden van de vader/ex-echtgenoot opnieuw beoordeeld moesten worden.
Op grond van deze overweging kwam de rechtbank tot de conclusie dat de inmiddels meerderjarige dochter geen voorrang heeft boven andere onderhoudsgerechtigden, in casu haar moeder.
De dochter kan wel aanspraak maken op een bijdrage in haar kosten van studie en levensonderhoud als zij behoeftig is. Als haar behoeftigheid wordt vastgesteld dan moet de rechtbank, ook rekening-houdend met de alimentatieverplichting jegens de ex-echtgenote de bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud opnieuw vaststellen.
De rechtbank kwam in de beslissing niet toe aan het vaststellen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie voor de meerderjarige dochter omdat de rechtbank van mening was dat de dochter niet behoeftig was. Vaststond dat zij voltijds studeert, vaststond dat zij een studiefinanciering ontvangt en vaststond dat zij een bijbaan had voor 8 uur per week. Op zich is de stelling gerechtvaardigd dat de te ontvangen studiefinanciering niet voldoende is om een beetje redelijk comfortabel te leven, zeker niet als je buitenshuis studeert en een kamer moet huren. Als je als studerende het bijlenen een beetje wil beperken dan is een bijbaan een absolute noodzakelijkheid, als je voltijds studeert dan zijn er niet veel mogelijkheden om heel veel uren per week te werken omdat je dan mogelijk niet op tijd de juiste hoeveel studiepunten vergaart met alle financiële gevolgen van dien.
Al deze argumenten zouden mogelijk tot de conclusie moeten leiden dat een meerderjarige student die ook afhankelijk is van de studiefinanciering behoeftig is en recht zou moeten hebben op een bijdrage van de ouders, uiteraard onder de voorwaarde dat de ouders wel de ruimte hebben.
De rechtbank legt de gevolgen van de keuze van de dochter om voltijds te studeren op het bordje van de dochter omdat de rechtbank wel overweegt dat de keus begrijpelijk is maar dat die keus haar nog niet behoeftig maakt. Naar de mening van de rechtbank maakt het stelsel van de studiefinanciering het volgen van een voltijds studie mogelijk, niettegenstaande het feit dat een groot gedeelte van die voorzieningen bestaat uit het afsluiten van leningen die t.z.t. moeten worden terugbetaald.
Kort en goed komt de rechtbank tot de conclusie dat een meerderjarige student in staat wordt geacht om middels een studiefinanciering volledig in zijn/haar kosten van studie en levensonderhoud te voorzien en dat als zij financieel iets tekort komen ze dat maar moeten aanvullen middels een bijbaan. Minder willen lenen om daarmee na het afsluiten van je studie de kansen op de woningmarkt wat te vergroten is naar de mening van de rechtbank een begrijpelijke keus maar de consequenties daarvan legt de rechtbank niet neer bij de ouders maar bij het betrokken kind, je gaat dan maar wat meer werken zegt de rechtbank.
Een hard gelag voor het betrokken kind dat haar maandelijkse financiële ondersteuning van € 660,00 ziet wegvallen.
Vader betaalde een groot gedeelte van de maandelijkse bijdrage aan de dochter na de echtscheiding zelf door ondanks het feit dat met die betalingsverplichting bij de berekening van de alimentatiemogelijkheden voor de ex-echtgenote geen rekening werd gehouden.
Dochter blij, het verhaal vertelt niet hoe sinds het starten van de echtscheidingsprocedure de verhouding tussen moeder en dochter is.
De praktijk leert dat deze discussies niet zo heel vaak voorkomen, in ieder geval niet leiden tot alimentatieprocedures omdat scheidende ouders, zeker in mediation, vaak in staat zijn om ook afspraken te maken over het doorbetalen van een financiële ondersteuning voor 21-plus studerende kinderen en dat met die onderhoudsverplichting ook rekening wordt gehouden bij het berekenen van de partneralimentatie.
Door: Advocatenkantoor Geerts