In het overgrote gedeelte van de kinderalimentatiezaken die bij de Nederlandse rechters aanhangig worden gemaakt, vanwege een echtscheiding of vanwege een verzoek tot wijziging van eerder gemaakte alimentatieafspraken, wonen de procederende partijen en de kinderen in Nederland en worden de Nederlandse normen en tabellen toegepast.
In een zaak die in de tweede helft van vorig jaar door hof Amsterdam werd behandeld was de situatie iets anders.
In 2018 wordt in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken. De minderjarige kinderen wonen bij moeder. Moeder woont afwisselend in Suriname en Nederland. In 2022 verhuist moeder terug naar Suriname. Vader heeft hoegenaamd geen contact met de kinderen die in Suriname woonachtig zijn.
De hoogte van de kinderalimentatie wordt berekend op basis van de behoefte van de kinderen en de mogelijkheden van de ouders om in die behoefte te voorzien. De behoefte van de kinderen wordt over het algemeen berekend op basis van het netto gezinsinkomen van de ouders en de toepassing van de Nibud tabellen. De Nibud tabellen geven aan wat kinderen bij een bepaald netto gezinsinkomen in Nederland kosten.
In de zaak waar het hof Amsterdam over moest beslissen woonden de kinderen niet in Nederland, maar in Suriname. Tussen partijen werd dan ook gediscussieerd over het antwoord op de vraag hoe de kosten van de kinderen berekend moesten worden. Op basis van het netto-inkomen van de ouders en onder toepassing van de Nibud tabellen werden de kosten van de kinderen berekend op € 971,- per maand. Dat zouden de kosten van de kinderen zijn als de kinderen in Nederland gewoond zouden hebben.
Vader was van mening dat bovengenoemd bedrag niet als uitgangspunt mocht worden genomen, maar dat de kosten van de kinderen berekend moesten worden naar Surinaamse maatstaven. Om de kosten terug te rekenen naar Surinaamse maatstaven kan gebruik worden gemaakt van twee rekenmethodes, de zogenaamde ‘woonlandfactor’, dat is de methode waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen het inkomen in het ene land en het inkomen in het andere land voor dezelfde functie/arbeid. Een andere methode is de zogenaamde ‘Big Mac-index’ waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen de prijs voor een Big Mac in het ene land en de prijs voor een Big Mac in het andere land. In dit concrete geval zou dan een vergelijking gemaakt moeten worden tussen de Nederlandse Big Mac en de Surinaamse Big Mac.
Het hof maakt gebruik van de zogenaamde ‘woonlandfactor’ en stelt vast dat op basis van de aan de hand van de woonlandfactor te maken berekeningen de kosten van de kinderen in Suriname 40% bedragen van de kosten volgens de Nederlandse norm. Op de door het hof berekende kosten van de kinderen, volgens de Surinaamse norm, wordt door het hof in mindering gebracht de door moeder in Suriname te ontvangen kinderbijslag. Met die correctie berekent de rechtbank dan het door vader en moeder te betalen bedrag ter delging van de kosten van de kinderen.
Na haar laatste terugkeer naar Suriname had moeder ervoor gekozen om de kinderen naar een particuliere school te sturen en met welke kosten, naar de mening van moeder, ook rekening moest worden gehouden. Het hof overweegt dat de extra kosten vanwege het particuliere onderwijs aannemelijk zijn gemaakt en ook te rechtvaardigen zijn en houdt met die extra kosten boven op de al berekende kosten rekening.
Voor de berekening van de bijdrage van vader in de kosten van de kinderen past het hof dan weer de Nederlandse berekeningsmethodiek toe. Voor moeder doet het hof dat niet, maar bepaalt het hof dat op basis van de inkomensvergelijking moeder 1/3e van de totale kosten van de kinderen kan dragen.
Eindconclusie: de kosten van de kinderen worden berekend op basis van de Surinaamse kosten van levensonderhoud; de mogelijkheid van vader om aan die kosten bij te dragen wordt berekend aan de hand van de Nederlandse berekeningsmethodiek; de mogelijkheid van moeder om bij te dragen in de kosten van de kinderen wordt berekend op basis van een inkomensvergelijking.
Zo ziet u maar dat Nederlandse personen- en familierechtadvocaten niet alleen verstand moeten hebben van de Nederlandse wet- en regelgeving op het gebied van fiscaliteiten, toeslagen etc., maar zich ook moeten verdiepen in de buitenlandse regelingen als dat vanwege de woonplaats van de kinderen nodig is. Het is en het blijft een dynamisch vak.
Door: Advocatenkantoor Geerts